Hoofdstuk 22
Presteren
We vergeten soms dat ‘management’ niet iets is dat voorkomt in de natuur. Het is niet te vergelijken met een boom of een rivier. Het is te vergelijken met een televisie of fiets. Het is iets dat mensen hebben uitgevonden…. Hoewel sommige bedrij- ven het radarwerk een beetje hebben geolied en een heleboel bedrijven hebben gezegd dat te doen, is management de afgelopen honderd jaar in de kern niet veranderd. Controle is nog steeds het centrale ethos; extrinsieke motivators zijn nog altijd de belangrijkste tools. Daardoor is management moeilijk te verenigen met de niet-routinematige, van onze rechterhersenhelft afhankelijke capaciteiten waarop veel van onze economieën in de wereld tegenwoordig leunen. Maar zou de grootste zwakte ervan misschien nog dieper gaan? Is management, in zijn huidige vorm, soms zelfs niet meer te verenigen met de menselijke aard?
– Daniel Pink36
Achtergrond
In dit hoofdstuk introduceren we een van de krachtigste instrumenten die we tijdens de transitie bij Fokker hebben ingezet. Op het eerste gezicht lijkt het een vertrouwd meetinstrument voor medewerkers tevredenheid, een survey die in veel organisaties jaarlijks wordt afgevinkt. Maar wij gebruikten het voor iets veel ambitieuzers: het creëren van beweging van onderop. Bij Fokker was die in de fabrieken begonnen, maar daarna nadrukkelijk top-down gestuurd. Er lag een nieuw Target Operating Model, ondersteund door stevige interventies zoals een intensief leiderschapsprogramma. Dat was noodzakelijk, maar niet voldoende. Echte transformatie ontstaat pas wanneer teams en medewerkers zelf eigenaarschap nemen, wanneer het verandervirus zich verspreidt door de organisatie. Dat lukte ons met Gallups Q12. Wat dit instrument bijzonder maakte, was niet de meting zelf, maar wat erop volgde. Medewerkers formuleerden zélf verbeteracties: ideeën die hun dagelijkse werk beter maakten én direct bijdroegen aan de prestaties van het bedrijf. Het effect was opmerkelijk: vrijwel alle teams kwamen in beweging. Niet door centrale instructies, maar door lokale initiatieven van mensen die het werk elke dag doen. Het resultaat was geen eenmalige doorbraak, maar een golf van initiatieven die zich over drie jaar bleef opbouwen. Kleine acties, consequent opgevolgd. Collega’s in alle hoeken van de organisatie die verantwoordelijkheid namen. Geen heroïsche ingreep, maar de optelsom van honderden verbeteringen. Dáár zat de kracht. Gallup richt zich op presteren. En prestatie is een onderwerp waar al decennia over wordt geschreven: high-performance teams, high-performance cultures, high-performance organizations. Toch blijft het in de praktijk vaak abstract. Misschien is dat ook geen toeval. Topprestaties hebben iets mysterieus in zich. Atleten als Michael Jordan, Serena Williams, Lionel Messi of Simone Biles lijken soms van een andere planeet te komen. Juist dat maakt hen zo fascinerend. Maar organisaties hoeven geen topsporters te creëren om beter te presteren. Wat zij wél kunnen doen, is teruggaan naar de basisvraag: wat hebben mensen nodig om goed te kunnen presteren in een organisatie? Die vraag wordt al gesteld sinds de eerste fabrieken ontstonden. Lange tijd werd de medewerker gezien als een onwetende en onwillige arbeidskracht, te sturen via beloning en straf. Taken opdelen en optimaliseren zou vanzelf tot hogere productiviteit leiden. Daniel Pink36 noemt dit motivatie 2.0: de logica van de wortel en de stok. Hij laat zien dat dit tot op zekere hoogte werkt, vooral bij routinematig werk. Maar het schiet tekort in een economie waar creativiteit, innovatie en langdurige betrokkenheid doorslaggevend zijn.
Dankzij dit soort inzichten zijn we inmiddels verder. We kijken anders naar mensen: als sociale, emotionele en (soms) rationele wezens. We begrijpen dat prestaties niet alleen worden gedreven door salaris en zekerheid. De vraag is dan: wat wel? We zijn misschien nog niet zover als in de topsport, maar het fundament is helder. De term die dit vangt, is betrokkenheid, engagement. En precies daar raakt de Q12 de kern. Niet door mensen te motiveren van buitenaf, maar door de voorwaarden te creëren waaronder zijzélf willen bijdragen.
Papendal
Het bedrijfsleven loopt achter op de topsport. Topsport is het vakgebied van topprestaties. Logisch dus dat daar decennialang is geëxperimenteerd met het ontwikkelen, begeleiden en ondersteunen van individuen en teams op het hoogste niveau. Wij namen dat perspectief serieus en legden Papendal, het Olympische trainingscentrum van Nederland, naast Fokker. Papendal is gebouwd vanuit één helder uitgangspunt: creëer álle voorwaarden die nodig zijn om topprestaties mogelijk te maken. Wie er rondloopt, voelt het onmiddellijk. Alles klopt. Niet toevallig, maar omdat er jarenlang is nagedacht over wat sporters nodig hebben: fysiek, mentaal en sociaal. Tot in de kleinste details. En minstens zo belangrijk: die inzichten zijn diep verankerd in de cultuur. De sporter staat altijd centraal. Het serviceniveau is ongekend hoog. Niet uit luxe, maar uit overtuiging. Olympische medailles worden immers gewonnen op details. Zelfs om drie uur ‘s nachts, wanneer een sporter plotseling trek krijgt in een biefstuk. Dan tref je geen vermoeide of chagrijnige kok aan, maar een chef die begrijpt wat hier op het spel staat. Misschien legt juist die ene maaltijd de basis voor een gouden medaille vier jaar later. Wat Papendal extra krachtig maakt, is dat het niet alleen de absolute top faciliteert. Ook jonge talenten wonen en trainen er. Zij krijgen dezelfde faciliteiten, dezelfde aandacht en dezelfde service. Ze trainen samen met de besten en leren daardoor sneller. Excellentie is er geen exclusief privilege, maar een omgeving waarin je wordt grootgebracht. Dat beeld is inspirerend – en confronterend. In ons ideaalbeeld werd Fokker ingericht als Papendal: een werkomgeving die medewerkers en teams faciliteert om het beste uit zichzelf te halen. We zijn niet allemaal topsporters. Maar één ding is zeker: in de meeste organisaties wordt het potentieel van medewerkers bij lange na niet benut. Hier ligt een sleutelrol voor HR. Niet als beheerder van beleid of processen, maar als architect van een professionele prestatieomgeving. Een omgeving waarin zichtbaar is wat een medewerker nodig heeft om zich verder te ontwikkelen – niet over vijf jaar, maar volgende week. Zodat mensen op het juiste moment kunnen pieken. En zodat teams duurzaam beter presteren dan de concurrent. Papendal doet dit voor zo’n vierhonderd sporters – met aanzienlijk minder financiële middelen dan de meeste grote bedrijven tot hun beschikking hebben. Als zij dat kunnen, is de conclusie onontkoombaar: elk bedrijf zou dit moeten kunnen.
Aardig zijn is niet de oplossing
Woorden als medewerkerstevredenheid, betrokkenheid en engagement roepen bij veel managers onmiddellijk scepsis op. Ze klinken soft. Alsof het vooral gaat om werkplezier, gezelligheid en het tevreden houden van mensen. Bovendien zijn het in de ogen van managers vaak de minst presterende medewerkers die het hardst roepen om betere werkomstandigheden. Geen wonder dat deze begrippen besmet zijn geraakt.
Kortom, we praten erover, we vinden het belangrijk in ons eigen leiderschap, maar eerlijk is eerlijk: we weten vaak niet wat we er concreet mee moeten. Hoe stel je mensen meer tevreden zonder simpelweg het salaris te verhogen? Bestaat er werkelijk een aantoonbare relatie tussen tevredenheid en prestaties? En zo ja, hoe werkt die dan? Het antwoord blijkt minder complex dan gedacht.
Dit is niet waar betrokkenheid over gaat. Wie betrokkenheid serieus neemt, moet, net als bij Papendal, alle randvoorwaarden creëren die mensen nodig hebben om te presteren. Het juiste materiaal. Een goede coach. Een helder trainingsschema. Duidelijke doelen. Keiharde KPI’s. En een betekenisvolle uitdaging om voor te strijden.
Sleutel tot presteren
Het tweede cruciale inzicht is dit: betrokkenheid is de sleutel tot prestatie. Medewerkers die betrokken zijn, presteren aantoonbaar beter: consistenter, duurzamer en met meer energie. Betrokkenheid beschrijft de psychologische basisvoorwaarden waaraan moet worden voldaan om goed werk te kunnen leveren. Dat gaat verder dan weten wat er van je wordt verwacht of beschikken over de juiste middelen. Het raakt ook aan emotionele en sociale behoeften: werk doen waar je goed in bent, gezien worden in je bijdrage en begrijpen hoe jouw werk bijdraagt aan een groter geheel. Deze definitie overstijgt de klassieke opvatting waarbij betrokkenheid wordt gelijkgesteld aan enthousiasme of loyaliteit. Betrokkenheid is geen houding, maar een context. Het is de verzamelterm die helpt begrijpen wat mensen nodig hebben om hun volledige potentieel te benutten. Net als verandering is betrokkenheid geen eenmalige interventie. Het is een dagelijks proces, gevormd door de werkomgeving die we creëren en de relaties die we onderhouden. Wie dat begrijpt, stopt met aardig zijn om het aardig zijn. En begint met het bouwen van een omgeving waarin mensen willen – en kunnen – presteren.
Instrument
Het instrument dat wij gebruikten om betrokkenheid te meten (en belangrijker nog: om prestaties te verbeteren) was de Gallup Q12® engagement survey. En ja, er bestaan talloze enquêtes over medewerkerstevredenheid. Toch kozen wij bewust voor Gallup, om twee redenen. Ten eerste heeft Gallup een uitzonderlijk krachtig model ontwikkeld dat blootlegt welke elementen van de werkomgeving daadwerkelijk bijdragen aan betrokkenheid en welke niet. Geen lijst met ‘nice to haves’, maar een scherp gefilterde set van voorwaarden die prestaties mogelijk maakt. Ten tweede is de statistische samenhang tussen de twaalf vragen en de prestaties van teams en organisaties beter onderbouwd dan bij welk ander instrument ook. Niet op basis van aannames, maar op basis van decennia onderzoek.
De oorsprong van Gallup gaat terug tot George Gallup, de Amerikaanse statisticus die het bedrijf in 1935 oprichtte en geldt als een van de grondleggers van het moderne opinieonderzoek. In de jaren negentig besloot Gallup een fundamentele vraag te beantwoorden: wat onderscheidt werkplekken waar mensen uitzonderlijk goed presteren van alle andere? Om die vraag te beantwoorden analyseerde Gallup data van meer dan één miljoen medewerkers. Honderden vragen over talloze aspecten van werk werden onderzocht. Niet door simpelweg gemiddelden te vergelijken, maar door patronen te zoeken. Welke vragen meten in essentie hetzelfde? Welke items onderscheiden de meest betrokken, goed presterende medewerkers echt van de rest?
Een belangrijk uitgangspunt was wat Gallup níét wilde meten. Vragen waarop iedereen hetzelfde antwoord geeft (‘Ja, helemaal mee eens’ of ‘Nee, helemaal niet mee eens’) zijn statistisch interessant, maar praktisch waardeloos. Ze zeggen niets over verschillen in betrokkenheid. In plaats daarvan selecteerde Gallup vragen waarop de meest betrokken en best presterende medewerkers consequent positief reageerden, terwijl minder betrokken collega’s neutraal of negatief antwoordden. Alleen de meest onderscheidende vragen bleven over. Dat proces resulteerde in twaalf kernitems. Geen losse lijst, maar een samenhangend model dat meet in hoeverre wordt voldaan aan de prestatiebehoeften van medewerkers. Deze twaalf vragen raken de kern van wat nodig is om talent aan te trekken, te focussen en te behouden. Sindsdien is de Q12 uitgegroeid tot de meest gebruikte engagement survey wereldwijd. De relatie met harde bedrijfsresultaten zoals productiviteit, klanttevredenheid, verloop, verzuim, veiligheid en kwaliteit is in talloze studies verder verfijnd en bevestigd. Voor ons bood het instrument drie doorslaggevende voordelen:
- Het is verreweg het best onderbouwde instrument als het gaat om de relatie tussen betrokkenheid en prestaties.
- Het bestaat uit slechts twaalf vragen, wat de respons aanzienlijk verhoogt en surveymoeheid voorkomt.
- Het biedt een helder en toepasbaar model voor het inrichten van een werkomgeving waar mensen daadwerkelijk beter presteren. Dat laatste is misschien wel het belangrijkste. Q12 is geen meetinstrument om scores te rapporteren. Het is een kompas voor leiderschap, een manier om te begrijpen waar je moet ingrijpen als je prestaties duurzaam wilt verbeteren.
De vragen
De twaalf vragen om betrokkenheid te meten zijn:
Deze twaalf vragen zijn gebaseerd op een hiërarchie van behoeftes:
- Basisbehoeften
- Managementsupport
- Teamwerk
- Groei
Dit model lijkt op Maslows hiërarchie37 maar met een belangrijk verschil: de niveaus zijn geen opeenvolgende fasen die je stapsgewijs moet doorlopen. Als manager hoef je niet eerst de basis op orde te hebben voordat je aan de hogere niveaus werkt. Integendeel, elk element is essentieel; het ontbreken van één aspect beïnvloedt de prestaties negatief, ongeacht welk niveau het betreft.
Wat wel opvalt, is dat in veel bedrijven de fundamentele basis ontbreekt. Als een medewerker niet duidelijk weet wat succes inhoudt voor zijn functie, dan is de kans op topprestaties uiterst klein. De meest elementaire behoefte is dat medewerkers aan het einde van de werkweek weten of ze hun werk goed hebben gedaan. Als de resultaten positief zijn, wil je dat een medewerker met een tevreden gevoel naar huis gaat; als dat niet zo is, wil je dat hij dit weet zodat hij de volgende week de kans krijgt het beter te doen.
Rondje 42
In de loop der jaren leerden we dat het stellen van de juiste doelstellingen en het geven van gerichte terugkoppeling een kunst is. Als je het goed doet, werkt het als een krachtige motivator. De eerste les daarin kregen we van de directeur van Fokker Landing Gear. Toen hij aantrad, trof hij een bedrijf aan dat ondermaats presteerde en waar medewerkers hun vertrouwen in de toekomst hadden verloren. Er moest veel veranderen, en dat vereiste nieuwe kennis, kunde en vooral motivatie. Een groot deel van het probleem was dat de beloofde resultaten jaar na jaar niet werden gehaald. Medewerkers hoorden telkens dat ze niet goed genoeg waren. Daarom besloot de directeur het anders te doen. In plaats van een ambitieuze doelstelling (zoals vaak wordt gedaan om mensen uit te dagen) begon hij met een bijna absurd lage verwachting. Hij vergeleek het met schaatsen: ‘Je kunt van een amateur niet verwachten dat hij meteen een rondje van 32 seconden rijdt. Dat is iets voor topschaatsers. Dus begon ik met een rondje 42. Dat kan iedereen, zelfs als je nauwelijks kunt schaatsen.’ Het eerste jaar werd dit doel moeiteloos behaald. Het jaar erop legde hij de lat iets hoger: 38 seconden. Nu het team wat ervaring had opgedaan, was ook dat makkelijk haalbaar. Zo verbeterden ze stap voor stap en ontwikkelden ze, ronde na ronde, vertrouwen in hun eigen capaciteiten. De kunst is om doelen te stellen die uitdagend maar haalbaar zijn. Dan worden ze een bron van motivatie en prestatieverbetering. De vuistregel? Zorg dat jaarlijks gemiddeld 75% van de bonus wordt uitgekeerd. Dat betekent dat de doelen scherp genoeg zijn gesteld en medewerkers gestimuleerd worden om het jaar erop nóg beter te doen.
Toepassing
De meeste organisaties zetten jaarlijks een medewerkerbetrokkenheids- of tevredenheidsonderzoek in, vaak als een vast onderdeel van de HR-cyclus. Naar schatting voert circa 80% van de bedrijven een dergelijke meting uit. De opbrengst ervan verschilt echter sterk. Wanneer enquêtes worden afgenomen zonder zichtbare en consequente opvolging, ondermijnen zij het vertrouwen en leiden zij uiteindelijk tot lagere betrokkenheid. Worden ze daarentegen ingebed in een bredere veranderstrategie, dan kunnen ze uitgroeien tot een krachtige katalysator voor organisatietransformatie. Bij Fokker positioneerden wij de Gallup Q12 expliciet niet als meetinstrument, maar als interventie. Het doel was helder: top-down transformatie versterken met bottom-up eigenaarschap op teamniveau. Over een periode van drie jaar leidde deze aanpak tot aantoonbare resultaten:
- een deelnamegraad van bijna 90%;
- elk team formuleerde en realiseerde concrete verbeteracties (100% opvolging);
- structurele stijging van betrokkenheid;
- zichtbare impact op zowel team- als organisatieniveau.
Deze resultaten waren niet het gevolg van de enquête zelf, maar van de manier waarop zij was verankerd in de architectuur van de transformatie. Dit bereikten we met een zorgvuldig ontworpen programma, dat we de naam Great Place 2 Work (GP2W) gaven. Als onderdeel van de transitie hebben we drie jaar lang intensief campagne gevoerd en door het hele bedrijf heen een netwerk van honderd ambassadeurs opgebouwd. We investeerden in meerdaagse workshops voor interne teamfacilitatoren en huurden bijvoorbeeld stand-up comedians in om teams te inspireren tot out-of-the-boxoplossingen voor prestatieverbetering. Daarnaast ontwikkelden we een leiderschapscurriculum om managers te leren wat betrokkenheid creëert, richtten we een onlinetool in om acties te monitoren en stelden we budget beschikbaar, zodat teams zelf verbeteringen konden doorvoeren. Dit alles zorgde voor een prestatiegerichte mindset en leverde tastbare resultaten in de transitie op. De investering was het dubbel en dwars waard, maar vergde ook aanzienlijke middelen. Bovenal vraagt een dergelijk traject om een (bijna bovennatuurlijke) inspanning van een klein, gedreven team dat de passie heeft om dit te realiseren. En minstens zo belangrijk: een directie met de rotsvaste overtuiging dat betrokkenheid een cruciale sleutel tot succes is.
Succesfactoren
Terugkijkend waren de succesfactoren:
- GP2W is een geïntegreerd onderdeel van de transitie.
- Medewerkers aan het stuur.
- Leiderschap begrijpt en pakt zijn rol.
- Het is een reis, geen uitstapje.
- Ondersteund door een campagne.
- Teams krijgen structurele ondersteuning.
1. GP2W is een geïntegreerd onderdeel van de transitie
Veel organisaties behandelen betrokkenheid als een afzonderlijk programma, meestal belegd bij HR en slechts losjes verbonden met de strategie. Onze ervaring laat zien dat deze benadering tekortschiet. Betrokkenheid levert pas waarde op wanneer zij expliciet wordt gepositioneerd als een strategische pijler, gekoppeld aan bedrijfsdoelstellingen en transformatie-ambities. Bij Fokker werd betrokkenheid vanaf het begin geïntegreerd in de bredere veranderagenda. De bedrijfsmissie ‘Zet de Fokker-handtekening op elk geavanceerd vliegtuig’ vertaalden we naar een boodschap voor medewerkers: ‘Zet jouw handtekening op een Great Place to Work’. Zo ontstond er een directe verbinding tussen organisatiedoel en individuele bijdrage. De uitvoering werd belegd bij het Transformatie Office om samenhang te waarborgen met operationele verbetering, strategische vernieuwing en leiderschapsontwikkeling. In organisaties waar HR een volwassen strategische rol vervult, kan deze verantwoordelijkheid elders liggen, maar het principe blijft hetzelfde: betrokkenheid mag geen bijzaak zijn.
2. Medewerkers aan het stuur
Een centraal ontwerpprincipe was eenvoudig maar ingrijpend: medewerkers weten zelf het beste wat in hun eigen context nodig is voor hoge prestaties. De rol van management is enkel het creëren van de randvoorwaarden; teams moeten het eigenaarschap nemen. Deze gedachte sluit aan bij het gedachtegoed van dienend leiderschap, zoals beschreven door Robert K. Greenleaf.38 In de praktijk blijkt het echter lastig om dit principe daadwerkelijk te operationaliseren. Betrokkenheidsonderzoeken bieden hiervoor een concreet aangrijpingspunt – mits medewerkers niet alleen feedback geven, maar ook verantwoordelijk worden gemaakt voor het formuleren en uitvoeren van oplossingen.
Bij Fokker duurde de enquêtecyclus slechts enkele weken; de opvolgende acties besloegen het volledige jaar. De kracht van de Q12 lag niet in de vragen, maar in het ritme van dialoog, actie en evaluatie dat erop volgde.
3. Leiderschap begrijpt en pakt zijn rol
Een terugkerende belemmering was leiderschapsgedrag. Veel managers – zeker in technisch gedreven organisaties – worden beloond voor hun probleemoplossend vermogen. Bij signalen van lage betrokkenheid is hun reflex dan ook om oplossingen aan te dragen in plaats van eigenaarschap te faciliteren. GP2W fungeerde als een interventie op deze vorm van leiderschap. Leidinggevenden werden niet alleen getraind in de achterliggende principes van betrokkenheid, maar vooral in het voeren van dialogen, het uitstellen van oplossingen en het versterken van teamverantwoordelijkheid. Teamsessies fungeerden als een leeromgeving waarin leiders nieuw gedrag oefenden, direct gekoppeld aan hun dagelijkse praktijk.
4. Het is een reis, geen uitstapje
Net als transformatie is betrokkenheid geen eenmalige actie. Zij vraagt om consistentie, uithoudingsvermogen en samenhang. We positioneerden het traject bewust als een meerjarige reis, niet als een kortlopend programma. Resultaten werden longitudinaal gevolgd, waarmee het besef werd versterkt dat vooruitgang cumulatief is – en dat verslapping leidt tot terugval.
5. Ondersteund door een campagne
Dankzij een geweldig kernteam van medewerkers uit diverse landen en disciplines hebben we jaarlijks rondom de enquête grootschalige communicatiecampagnes gelanceerd. Dit hoeft niet kostbaar te zijn; het draait om het raken van emoties en inspelen op actuele gevoelens binnen het bedrijf, gecombineerd met slimme strategieën om de doelstellingen te behalen. Zo deelden we bijvoorbeeld taart uit aan elk team dat een deelnamepercentage van 80% aan de enquête behaalde. Wekelijks publiceerden we de percentages in de vorm van vliegtuigjes op een route naar hun eindbestemming, zodat managers konden zien hoe zij ten opzichte van elkaar presteerden. Een dergelijke campagne zorgt voor bewustwording, zodat medewerkers niet vergeten de enquête in te vullen, maar werd door ons vooral ingezet om de transitie te ondersteunen. Het bood een uitgelezen kans om de kracht van ‘One Fokker’ te benadrukken en de kernwaarden van de transitie te communiceren. Daarnaast was het een moment om werkplezier en waardering voor medewerkers te benadrukken. Kleine attenties, zoals een blauwe Fokker-zonnebril met de opdruk ‘We care’ en ‘Great Place To Work’, droegen hieraan bij. Dit alles versterkte de betrokkenheid van medewerkers bij de gewenste verandering. Gedurende de rest van het jaar zorgden we voor regelmatige updates over behaalde resultaten, gaven we medewerkers een stem en herhaalden we de centrale boodschap, zodat deze verankerd raakte in de hoofden en harten van de medewerkers. Een goed doordachte campagne en frequente communicatie zijn geen luxe, maar essentiële voorwaarden voor het slagen van bottom-up verbeteringen door medewerkers.
6. Teams krijgen structurele ondersteuning
Zelf met verbetervoorstellen komen én die ook nog weten te realiseren is geen eenvoudige opgave voor een team. Obstakels die verandering en eigenaarschap belemmeren, kunnen variëren van teamdynamiek en organisatorische structuren tot leiderschapsstijlen. Daarom is structurele ondersteuning nodig. GP2W werd ingezet als een strategische interventie. De transitie was al enige tijd onderweg en we wisten wat er in het bedrijf nodig was om verandering te realiseren. Met die ervaring in ons achterhoofd en diepgaande kennis van het begeleiden van teamontwikkeling konden we een programma opzetten om medewerkers op te leiden tot facilitators en ambassadeurs. Uiteindelijk waren dit er meer dan honderd. Ambassadeurs fungeerden als de stem van hun collega’s. Ze vertelden ons wat er onder medewerkers speelde. Zij enthousiasmeerden medewerkers om acties op te pakken en de verandering te omarmen. Facilitators hadden een nog actievere rol. Zij werden ingezet in de begeleiding van teams tijdens de workshops, het ondersteunen van managers bij het voeren van constructieve dialogen en het helpen formuleren en uitvoeren van actieplannen. Enkele HR-professionals werden opgeleid tot professionele facilitators en ingezet op de complexe teams, waar onderling spanning was of een leidinggevende extra steun nodig had. Voor ambassadeurs en facilitators hebben we een intensief trainingsprogramma opgezet, bestaande uit een volledige dag training en een terugkomdag. Deze trainingsdagen dienden niet alleen voor kennisoverdracht, maar ook voor teambuilding. We creëerden een hechte gemeenschap van medewerkers die zich inzetten voor de transitie en elkaar ondersteunden in het proces. Deze groep, die na de first followers kwam, speelde een cruciale rol in het bereiken van het kantelpunt van de transitie.
Het is de manager, sufferd!
Op 6 augustus 1998 publiceerde The Economist een beroemd artikel getiteld: ‘It’s the manager, stupid.’ Dit artikel presenteerde de bevindingen van Gallup, met als kernconclusie: meer dan welke andere factor ook beïnvloedt de directe leidinggevende de betrokkenheid en prestaties van een team. Uit Gallup-onderzoek blijkt zelfs dat 70% van de variatie in teambetrokkenheid uitsluitend wordt bepaald door de manager.
Betekent dit dat alles wat eerder in dit hoofdstuk is besproken overboord kan? Zeker niet. De vier niveaus met bijbehorende vragen en onderliggende factoren zijn essentieel voor het bepalen van betrokkenheid. Én een drijvende kracht van veranderen. Echter, het is de manager die de grootste invloed uitoefent op deze factoren. Een bedrijf kan beschikken over het meest geavanceerde leerplatform of het beste gereedschap in de fabriek; als de manager geen aandacht heeft voor zijn medewerkers en deze middelen niet effectief inzet, zal dit geen impact hebben. Zelfs wanneer de manager dit wel doet, maar er sprake is van een verstoorde relatie tussen medewerker en leidinggevende – ongeacht wie daarvoor verantwoordelijk is – zal de betrokkenheid van de medewerker laag blijven. De belangrijkste les met betrekking tot prestaties is dan ook dat leiderschap ontwikkeld en gemonitord moet worden. De manager draagt de eindverantwoordelijkheid voor de betrokkenheid en prestaties van het team. Hoewel er geen universele standaard bestaat voor de perfecte manager en elk team uniek is, kunnen managers wel leren wat medewerkers nodig hebben om tot topprestaties te komen.